Na morgen is er geen zon meer - Reyyan Kara deelt haar verhaal

Dat waren de woorden die ik uitsprak in de nacht dat mijn vader overleed. Ik was 26 jaar oud en voelde dat mijn wereld voorgoed zou veranderen. Op dat moment kon ik mij niet voorstellen dat er ooit weer licht zou zijn. Niet omdat ik geen hoop had, maar omdat het verdriet alles overschaduwde.

Mijn vader overleed in 2017 aan longkanker. Hij was pas 53 jaar oud. Een jaar daarvoor had mijn moeder een hartinfarct gekregen. Samen met mijn vader zorgde ik voor haar. Ons leven bestond uit ziekenhuisbezoeken, medicijnen, hoop en onzekerheid. Toen mijn vader ziek werd, kwam daar opnieuw een zware periode bovenop.

We bleven geloven in herstel. De behandelingen sloegen aan en er waren momenten waarop het leek alsof we het ergste achter ons hadden gelaten. Tot alles ineens veranderde. Binnen zes maanden was hij er niet meer.

Na zijn overlijden raakte ik mezelf kwijt. Ik was verdrietig, boos, uitgeput en soms ook verward door alles wat ik voelde. Mensen verwachten vaak dat je na een tijdje weer verdergaat, maar rouw houdt zich niet aan tijd. Er waren dagen waarop ik alleen maar kon bestaan. Praten kostte energie. Lachen voelde bijna als verraad. Toch was het verlies van mijn vader niet het einde van mijn verhaal met rouw.

Jaren later kreeg mijn moeder de diagnose eierstokkanker. Ik weet nog precies hoe machteloos ik me voelde toen ik het hoorde. Mijn eerste gedachte was: hoe moet ik dit nog een keer doen?

Ik was net begonnen mijn leven weer op te bouwen. Net weer voorzichtig aan het geloven dat er toekomst was. En opnieuw kwam ziekte ons leven binnen.

Mijn moeder vocht. Met alles wat ze had. Ze bleef positief, bleef dromen en bleef leven. Zelfs toen haar lichaam steeds meer moest inleveren. In die periode worstelde ik erg met de dood. Niet als iets dat verslagen moest worden, maar als iets dat bij het leven hoort. Dat waren moeilijke, maar ook waardevolle dagen. Langzaam ontstond er bij mij een vraag die veel heeft veranderd:

Mag iemand niet doodgaan dan?

Natuurlijk wilde ik mijn ouders niet verliezen. Natuurlijk had ik gewild dat ze nog vele jaren zouden leven. Maar ik begon ook te beseffen dat sterven niet het tegenovergestelde van leven is. Het hoort erbij. We worden geboren en ooit gaan we weer. Dat besef maakte mijn verdriet niet minder, maar het gaf wel ruimte aan acceptatie. Op de avond voordat dat mijn moeder overleed, zaten mijn broer en ik bij haar. We zeiden: “Het is goed zo mama. Ga maar. Wij zijn er klaar voor.”

Dat waren misschien wel de moeilijkste woorden die ik ooit heb uitgesproken. Een paar uur later overleed ze thuis. Toen ik na haar begrafenis terugkwam in Nederland, kwam ik terecht in een huis vol herinneringen. Alles herinnerde aan mijn ouders. Hun foto’s, hun spullen, hun aanwezigheid die er tegelijkertijd niet meer was.

Lange tijd leefde ik vooral op mijn slaapkamer. De woonkamer voelde te zwaar. Alsof de tijd daar was stil blijven staan. Alsof ik een museum binnenliep waarin ik alleen nog bezoeker was. Tot ik op een dag besefte dat ik niet alleen hoefde te overleven. Ik mocht ook weer gaan leven. Ik kocht een nieuwe bank. Een nieuwe tafel. Ik gaf het huis langzaam een stukje van mezelf. Dat voelde spannend. Alsof ik afscheid nam van iets wat ik moest beschermen. Maar uiteindelijk begreep ik dat liefde niet in meubels zit. Liefde zit in herinneringen, in waarden en in alles wat mijn ouders mij hebben meegegeven.

Vandaag woon ik nog steeds in hetzelfde huis. Maar het is geen museum meer. Het is mijn thuis geworden.

Mijn verlies heeft mij veranderd. Niet alleen als dochter, maar ook als mens. Inmiddels begeleid ik als rouw- en systeemtherapeut anderen die te maken krijgen met verlies. Iedere dag zie ik dat geen enkele rouw hetzelfde is. Iedereen draagt zijn eigen verhaal, zijn eigen pijn en zijn eigen weg naar herstel.

Wat ik mensen vaak meegeef, is dat rouw niet iets is wat je oplost of afsluit. Je leert er anders mee leven. Je leert het verdriet mee te dragen zonder dat het je hele leven bepaalt. Mijn ouders zijn niet verdwenen uit mijn leven. Ze leven voort in mijn herinneringen, in mijn keuzes en in de manier waarop ik naar mensen kijk. Van mijn moeder leerde ik: leef, geniet, eet en drink. Wees voor niemand bang. Van mijn vader leerde ik wat liefde, zorgzaamheid en doorzettingsvermogen betekenen. En van hun overlijden leerde ik misschien wel de belangrijkste les van allemaal:

Doodgaan mag en het leven moet.

Daarom zeg ik tegenwoordig vaak: wees doodmoe en begin opnieuw. Want hoe diep het verdriet ook is, hoe groot het gemis ook blijft, het leven vraagt uiteindelijk weer om geleefd te worden. Niet door los te laten, maar door los te houden. Veel mensen vragen mij wanneer rouw overgaat. Of wanneer je iemand eindelijk kunt loslaten. Maar ik geloof niet in loslaten. Ik geloof in los houden.

Voor mij betekent dat dat ik mijn ouders niet hoef los te maken uit mijn leven. Ik draag hen met mij mee. In mijn herinneringen, in mijn keuzes, in de waarden die zij mij hebben meegegeven. Ze zijn er nog steeds, alleen op een andere manier.

Los houden betekent ook dat ik mijn verdriet niet meer de regie geef over mijn leven. Het mag er zijn wanneer het zich aandient. Soms zacht, soms intens. Maar het bepaalt niet meer alles. Dat is voor mij leven voorbij rouw. Niet vergeten. Niet afsluiten. Niet doen alsof het nooit gebeurd is. Maar ruimte maken voor zowel het gemis als voor het leven dat verdergaat. Niet door los te laten. Maar door los te houden.