Het Laatste uur - Het verhaal van Annemiek den Hartog

‘Tja Miekie, het zit erop. Jammer maar helaas,’ zegt mijn vader. Ik pers mijn lippen zo hard op elkaar dat ik de ijzeren smaak van bloed proef.

‘Hé, ontspan eens met die knuistjes van je!’ Liefdevol reikt hij naar mijn hand. ‘Gewoon straks met je broer lekker een borrel drinken en een haring eten.’

Straks, denk ik bezorgd. Wanneer is straks? Ik glimlach, maar terwijl ik mijn gebalde vuist losmaak en mijn vingers probeer te ontspannen, ontsnapt er een verdrietige snik. Ik hou van mijn vader en wil hem helemaal niet missen. Sinds mama is overleden, nu ruim tweeëntwintig jaar geleden, zijn we maatjes. Bijna elke woensdag rij ik vanuit Noord-Holland naar de Betuwe. Dat kan toch niet zomaar stoppen?

Naast zijn bed staat zijn stoel, leeg. Het decubituskussen heeft in het midden nog de vorm van zijn lichaam. Hij is blij met zijn sta-op stoel, iets wat hij naar eigen zeggen al veel eerder had moeten doen. Net zoals een rollator, al is die eigenlijk alleen voor écht oude mensen, zoals hij zei. Tot twee maanden geleden had hij altijd zelfstandig gewoond. Ik sluit mijn ogen en haal het beeld terug van een paar dagen eerder. Met zijn geruite overhemd, stropdas en spencer zat hij in de stoel. Mijn vader, altijd keurig gekleed. Zijn ogen kleurden lichtblauw, precies zoals zijn spencer. Voor het eerst viel me op hoe helderblauw zijn ogen eigenlijk waren. Ogen die wijd open het leven inkeken en voor niets bang waren. “Tob niet, het komt toch anders,” was zijn gevleugelde uitspraak, zelfs niet voor de naderende dood. De afgelopen weken stonden zijn ogen vaak dof en troebel. Maar die dag niet. Van alle keren dat mijn vader en ik samen waren, was vandaag de belangrijkste: het moment suprême, zou mijn moeder hebben gezegd.

Ik open mijn ogen weer. Het ging allemaal sneller dan gedacht, had de verpleeghuisarts aan de telefoon gezegd. En ze belde liever een keer te vroeg dan te laat. Mijn vaders grootste zorg was altijd geweest of ik wel op tijd zou zijn. Buiten klinkt de loeiende sirene van een politieauto. Het geluid raast voorbij om daarna geleidelijk weg te ebben in het stadsverkeer. Een verpleegster komt binnen en checkt zijn katheter. Er is sinds deze ochtend niets meer bijgekomen. Ze schenkt ons allebei een liefdevolle blik en verzekert me dat hij geen pijn heeft. Er klinkt een rochelhoest. De verpleegster lijkt enigszins verwonderd door de kracht die er nog mee gepaard gaat; een levensenergie, ergens verborgen in een lichaam dat beetje bij beetje zijn functies moet inleveren.

‘Je huid lijkt haast wel van plastic opa,’ merkte mijn zoon tijdens zijn laatste bezoek op. Mijn vader lachte. ‘Ja, menneke, dat krijg je als je ouder wordt.’ Mijn zoon knikte respectvol.

‘En hoe moet dat nu over een paar jaar, als je piloot bent?’ zei mijn vader. ‘Dat ga ik niet meer meemaken. Doe je wel je best?’ ‘Ja opa, dat ga ik doen. Misschien zie je me straks wel vliegen daarboven!’ Met moeite tilde mijn vader zijn hand op en gebaarde zijn kleinzoon hetzelfde te doen. ‘Dag kereltje van me.’ Een laatste boks werd gegeven.

Ik kijk naar het verbeten gezicht. De kleur van zijn gelaat verandert. Waar het eerder nog kleur vertoonde, was het nu asgrauw. Zijn mond hangt wat open. Voor de zekerheid houd ik mijn handpalm voor zijn mond en voel een warme uitademing. Gelukkig, hij leeft nog. Ik tel de stilte die volgt tot de volgende ademhaling zich weer aandient.

Eén, twee, drie, vier…acht. Zijn lievelingsgetal. Dan volgt er weer een diepe zucht en zijn borstkas zakt langzaam weer in. Op het nachtkastje staat een arsenaal aan attributen: een halflege strip Oxycodon-tabletten, zijn scheerapparaat, bril, deodorant en een fles water. Ik pak het washandje uit het schaaltje en bevochtig zijn mond. Gretig tuit hij zijn lippen naar meer.

Ik leg mijn hand op de deken en schrik van de kilte. Snel verplaats ik mijn handen naar zijn broze, maar nog warme borstkas. Zijn tere schouders schokken licht. Ik wil tegen hem aankruipen en hem knuffelen zoals ik vroeger deed maar ik ben angstig om zijn broze gestel te breken. Met de grootst mogelijke zorg streel ik zijn haar over zijn klamme voorhoofd. Hij schrikt van mijn lichte aanraking en kreunt. Zou hij bang zijn? De gedachte alleen al maakt me verdrietig. ‘Denk je dat hij het fijn vindt als ik zijn hand vasthoud?’ vraag ik aan mijn broer.

‘Er is nu geen goed of fout,’ antwoordt hij. ‘Je moet doen waar je je goed bij voelt.’

Eén, twee, drie, vier… achtentwintig tel ik in mijn gedachten mee. Het was de laatste tel. En dan gaat het ineens snel. Er komt onrust. De borstkas stokt een paar keer. Er verschijnen diepe fronsen op zijn gelaat. Zijn oogleden trillen, alsof eronder in een flits de film van het leven wordt vertoond. Er komt een kreun. En nog één. Zijn ogen schieten opgejaagd heen en weer, tot het ooglid halverwege blijft hangen. Er is iets zichtbaar voor hem, maar wij zien niet wat.

‘Hé papa, ik ben hier,’ fluister ik zacht. 
‘Laat hem gaan,’ zegt mijn broer.

Dan klinkt er nog een diepe, laatste zucht. Daarna trekken de troepen zich terug van het strijdtoneel en nemen de kracht uit de laatste zenuwspiertjes met zich mee. Op het nachtkastje hapert het licht van het schemerlampje, en een siddering trekt door mijn lichaam. Ik kijk op de wekkerradio en zie de getallen 20:28. Het uur waarop de dood mijn vader heeft gehaald.

‘‘Er hoeft niet gehuild te worden,’’ zei hij altijd. Hij had een mooi leven gehad. Er was nu eenmaal een tijd van komen en een tijd van gaan. En die laatste was nu aangebroken.

Toch moest ik huilen. Ook mijn broer huilde. Had ik mijn vader ooit zien huilen?

Snel ruik ik nog een laatste maal aan zijn leven. Zijn schone, blauwe nachthemd geurt naar mijn Robijn-wasverzachter. Ik kam zijn nog steeds niet helemaal grijze haar. Met de scheiding naar rechts. Precies zoals het de afgelopen negentig jaar is gekamd. Ik bedenk dat ik niet moet vergeten zijn afspraak bij de kapper af te zeggen.

Er wordt op de deur geklopt en er volgt geroezemoes. Dan is het een komen en gaan van mensen. Ik hoor het scherpe geluid van iets mechanisch dat de kamer binnen wordt gereden. Ze plaatsen een brancard naast het bed. Ik geef een hand aan iemand die ik niet ken. Er worden dingen gezegd en een arm wordt om mij heen geslagen. Een vrouwenstem vraagt me of de bloemen in het vaasje echt zijn en of ze er een roos uit mag nemen. Ik knik en hoop dat dit het juiste antwoord is. Ze legt hem op het lege maar nog warme bed. Als teken van een leven dat eens is geweest.

Een laatste groet. Het is gedaan.
Annemiek den Hartog