“MAM, trek die rolschaatsen maar aan en ga”

Ik was 23 jaar toen mijn moeder ziek werd. Ik kwam thuis en mijn moeder zei: “Kijk eens naar mijn buik.” Ze tilde haar shirt op en ik schrok me kapot. Haar buik was zo opgezet dat ik meteen voelde: dit is niet goed. Ook zij schrok van mijn reactie en ging naar de huisarts. Die stuurde haar direct door voor een echo. Op 5 december volgde de echo.

Je hoefde geen arts te zijn om te zien dat het mis was. De volgende dag werd ze geopereerd. De diagnose was keihard: eierstokkanker in een vergevorderd stadium.

Wat volgde waren bijna zes jaren van operaties, chemokuren, bestraling, ziekenhuisbezoeken en controles. Een leven waarin hoop en teleurstelling elkaar voortdurend afwisselden. Er was bijna nooit rust.

Ik werkte zelf als doktersassistente in de zorg. Dat maakte het soms extra ingewikkeld. Ik wist veel, zag veel en schoof daardoor langzaam in de rol van meedenkende zorgverlener. Mijn moeder vond dat fijn, maar voor mij was het dubbel.

Ik was haar dochter, maar soms ook degene die dingen eerder wist dan zijzelf.

In die jaren heb ik vooral gezorgd. Ben ik meegegaan naar afspraken, overleg gevoerd, geregeld en volgehouden. Wij vochten met haar mee, want zij vocht tot het einde.

Toen mijn man en ik in diezelfde periode ons nieuwbouwhuis kregen, wisten we eigenlijk al dat mijn moeder het waarschijnlijk niet af zou zien. Toch hebben we haar overal bij betrokken. Ze keek mee met alle keuzes, zodat ze zo toch onderdeel bleef van ons nieuwe begin.

In december 2005 ging het snel achteruit. Toen ontstond een wens die voor mij alles veranderde: ik wilde dat mijn moeder een steen zou leggen bij ons huis.

Het bouwbedrijf werkte mee en maakte ruimte, terwijl de bouw eigenlijk al te ver was. Op 23 december 2005 was het zover. Ze kon de trap in haar eigen huis niet meer af.

We hadden een bed in de woonkamer gezet zodat ze beneden kon blijven. Mijn man heeft haar die dag van boven naar beneden gedragen over een steile trap. Stap voor stap met mijn moeder in zijn sterke armen. Ik zie haar gezicht nog voor me toen ze beneden was. De opluchting. De blijdschap. Alsof ze voelde: ik kan dit nog één keer meemaken.

Daarna gingen we samen naar de bouwplaats. Met haar laatste krachten legde ze een steen in de gevel van ons toekomstige huis. Op die steen heeft mijn moeder een plaatje ontworpen en gemaakt. Het werd haar laatste uitje. Wat die periode misschien nog het meest bijzonder maakt, zijn niet alleen de grote momenten, maar juist alles ertussenin.

Mijn moeder kreeg na een operatie een stoma. Dat gaf soms moeilijke situaties, maar ook onverwachte lichtheid. Als er een vlieg in huis zat zei ze: “Die strontvlieg zit hier natuurlijk voor mij hè.” En dan lachten we samen tot de zwaarte even weg was.

Er was ook een moment waarop haar stoma verstopt raakte en ze veel pijn had. De huisarts wilde niet dat ik ingreep, omdat er geen protocol was. Maar ik wist wat er nodig was, overlegde met een stomaverpleegkundige en besloot het toch te doen. Niet als zorgverlener op afstand, maar als dochter. Ik vergeet nooit de opluchting in haar ogen toen het lukte en de stoma weer liep. Dat zijn de momenten die klein lijken, maar voor mij van goud zijn.

In de laatste weken veranderde er iets. Langzaam mocht ik mijn rol als zorgverlener loslaten en weer dochter zijn. We spraken over alles: haar uitvaart, muziek, kleding, woorden die we wilden delen. Zware gesprekken, maar ook kostbare.

Ik gaf haar een gouden hanger van moeder en kind. Op de dag dat ze overleed kreeg ik die terug met de woorden: “Bewaar hem. Geef hem ooit aan je eigen dochter.” Alsof ze toen al wist ze krijgen ooit een dochter. Mijn moeder had één wens: thuis sterven. Daar hebben we als gezin alles voor gedaan. Ik heb daarbij zonder twijfel zorgverlof opgenomen om volledig voor haar te kunnen zorgen. Dat was geen moeilijke keuze, dat was vanzelfsprekend. En als ik het opnieuw zou moeten doen, zou ik het zonder aarzeling zo weer doen.

Op een avond zei een verpleegkundige tegen mij: “Je moeder kan niet gaan zolang jij blijft waken.” Ik werd boos om die woorden, maar ben uiteindelijk naar huis gegaan. Mijn laatste woorden waren: “Mam, trek die rolschaatsen maar aan en ga.” Tien minuten later belde mijn broer. Ze was overleden. Mijn vader was boven, ik was net thuis. En ergens voelde het alsof het zo moest zijn.

Na haar overlijden dacht ik dat ik verder kon. Ik ging weer werken, verhuisde naar ons huis en probeerde door te gaan. Maar verdriet laat zich niet wegduwen. Maanden later viel ik uit met benauwdheid en lichamelijke klachten. Uiteindelijk kwam ik bij de longarts terecht. De longarts zei: “Wat u heeft, noemen ze verdriet.” En dat was het.

Pas later zag ik dat mijn rouw niet alleen ging over haar verlies, maar ook over de jaren waarin ik vooral had gezorgd. Waarin ik soms meer moeder was voor mijn moeder dan dochter.

Toen ik later zwanger werd, kwam dat gemis opnieuw heel rauw binnen. Mijn moeder was er niet om dit mee te maken. We hadden ooit wel een jongensnaam besproken, maar over een meisjesnaam kwamen we nooit uit. Ik zei altijd: als je iets zegt, moet je het ook doen. Dus wij waren ervan overtuigd dat het een jongen zou worden. Maar het werd een meisje.

Toch had het leven een bijzondere draai: we hadden uiteindelijk wel een naam.

Onze dochter kreeg als tweede naam de naam van mijn moeder. Zo blijft zij toch verweven in haar leven.

Ook mijn huwelijk was zonder mijn moeder. Mijn vader bracht mij naar het altaar. We hadden een kaars met een gedicht aangestoken als symbool dat mijn moeder erbij was. Die kaars brandde de hele dag mee en ging overal met ons mee naartoe, tot we hem aan het einde van de dag samen uitbliezen.

Sindsdien mis ik haar op zoveel momenten in het moederschap en in mijn leven.

In vragen die ik niet meer kan stellen. In dingen die ik haar nog had willen vertellen. Tegelijkertijd heeft het mij ook gevormd. Ik leef bewuster. Alsof elke dag meer betekenis heeft gekregen.

Van de sieraden van mijn moeder heb ik later een nieuw sieraad laten maken dat ik met mij meedraag. En recent kreeg ik de trouwring van mijn vader, nog bij leven. Een bijzonder moment, omdat hij dit zelf nog kan meemaken. Ik ben bijna 50 en wil daar iets moois van laten maken, iets wat ons verhaal verder draagt.

Mijn moeder leeft niet meer, maar ze is op zoveel manieren nog aanwezig. In mijn dochter, in mijn huis, in de steen bij de voordeur, en in alles wat ik geworden ben.

En misschien is dat wel wat verlies uiteindelijk doet: het verandert je, maar het neemt de liefde niet weg. Het geeft haar alleen een andere plek.

Met veel liefde geschreven

Mariëlle Eggenkamp